Spoortermen en begrippen

Zie ook de alfabetische index, de vraagbaak, het thema spoortechniek en het thema namen en bijnamen.

A  B  C  D  E  F  G  H  I  J  K  L  M  N  O  P  Q  R  S  T  U  V  W  X  Y  Z




1e, 2e, 3e, 4e klas

Van oudsher kennen treinen verschillende klassen. Wie meer te besteden heeft, kan luxer reizen. Lange tijd gebruikelijk was de indeling in drie klassen, maar in Duitsland (en in Nederland de NBDS) heeft men ook een 4e klasse gekend.

In 1956 werd in Europa de 3e klas afgeschaft. Of liever gezegd: men schafte de 1e klas af, die alleen in luxe internationale treinen voorkwam. Andere treinen kenden alleen 2e en 3e klas. Deze schoven in 1956 een plaatsje op. Afgezien van de bordjes bij de deuren veranderde er aan de treinen verder niets. Bij de NS verdween het gele eerste­klaskaartje. Groen was nu voor 1e klas, bruin voor 2e klas.

Groot-Brittannië

In Groot-Brittannië kende men lange tijd alleen 1e en 3e klas. De Britse upper class wilde natuurlijk 1e klas reizen, en het voeren van de 3e klas kwam voort uit wettelijke verplichtingen. De 2e klas kwam alleen nog voor in boottreinen naar het continent. In 1956 werd de Britse 3e klas gepromoveerd tot 2e klas. Tegenwoordig spreekt men over First Class en Standard Class.

Thalys

In de Thalys heet de 1e klas "Comfort 1", de 2e klas "Comfort 2". In december 2017 komt daar "Premium" bij, gericht op zakelijke reizigers. De twee lagere klassen heten dan "Comfort" en "Standard". Ik kan het ook niet helpen, maar kennelijk bestaat er een markt voor duurdere treinkaartjes. Lees hier mijn mening over het comfort in de Thalys.

Andere klasseringen

In communistisch China kent men natuurlijk geen klassen. Wel kun je hier kiezen tussen het reizen op harde banken of zachte banken. In de Verenigde Staten kende men in de tijd van de rassenscheiding (tot ca. 1955) aparte rijtuigen voor blanken en mensen met een andere huidskleur.

Behalve tarieven voor verschillende treinklassen, kent men toeslagen voor bijzondere treinen. Zo verscheen in 1957, een jaar na het afschaffen van de 1e klas, de TEE. Daar moest je een flinke toeslag voor betalen, dus je zou kunnen zeggen dat met de TEE de oude 1e klas in vermomming weer terugkeerde.

Lees ook:



Brief in NRC Handelsblad, 13 juni 2017




A, B, C...

Om de samenstelling van treinstellen en rijtuigen aan te geven, worden (combinaties van) letters en cijfers gebruikt. Let op het verschil tussen hoofdletters en kleine letters.

  • A = eerste klas (eventueel met getal dat aantal coupé's aangeeft)
  • B = tweede klas (idem)
  • C = derde klas (idem). In 1956 werd de 1e klas afgeschaft en schoven de 2e en 3e klas op.
  • c = closet (toilet); tegenwoordige betekenis: couchette
  • D = dienst of bagage
  • d = doorgangsrijtuig (later ook v = vouwbalg)
  • DE = dieselelektrisch
  • DH = dieselhydraulisch
  • E = expresgoedwagen, snelgoedwagen
  • EL = elektrisch aangedreven
  • e = geschikt voor elektrische dienst
  • f of F = fietsvervoer
  • g = goederen
  • K = keuken of konvooi
  • k = koprijtuig
  • m = motorrijtuig
  • om = oliemotor
  • o = opgelegd; rijtuig rust aan één kant op een jacobsdraaistel (Mat'40, DE5)
  • oo = dubbel opgelegd; rijtuig rust aan beide kanten op een jacobsdraaistel (idem)
  • P = post
  • R = restauratie
  • r = restauratie-afdeling
  • Sr = salonrijtuig (koninklijke trein)
  • s = stuurstandrijtuig
  • ü = übergang; rijtuig kon worden gekoppeld met Duitse rijtuigen die geen vouwbalg maar overgangshekjes hadden
  • v = vouwbalg; tegenwoordige betekenis: verdieping (dubbeldekker)
  • z = zonder toilet

Voorbeelden

  • AB = rijtuig met afdelingen eerste en tweede klas
  • ABk = koprijtuig van een treinstel, met eerste en tweede klas
  • Bc10 = couchetterijtuig met 10 coupés
  • Bvk = koprijtuig dubbeldekstrein, met tweede klas
  • C12c = rijtuig derde klas met 12 coupés en closet
  • D = bagagerijtuig (bijvoorbeeld "Stalen D")
  • Df = rijtuig voor fietsvervoer
  • Dg = conducteurswagen in goederentreinen (zie foto hiernaast)
  • Ds = bagagerijtuig met stuurstandafdeling (trek/duwtrein)
  • DE1 = dieselelektrisch motorrijtuig (Blauwe Engel)
  • DH1 = dieselhydraulisch motorrijtuig (Wadloper)
  • DE4 = dieselelektrisch treinstel bestaande uit vier rijtuigen (TEE-treinstel)
  • ELD4 = elektrisch treinstel met bagageafdeling, bestaande uit vier rijtuigen (Hondekop, Plan T)
  • ELE3 = elektrisch treinstel met expresgoedafdeling, bestaande uit drie rijtuigen (ICM 4001 t/m 4007)
  • ELP2 = elektrisch treinstel met postafdeling, bestaande uit twee rijtuigen (Plan V 801 t/m 965)
  • EL2 = elektrisch treinstel bestaande uit twee rijtuigen (Sprinter)
  • mDW = motordienstwagen
  • mP = motorpostrijtuig
  • mK = motorkonvooiwagen
  • Pec = postrijtuig geschikt voor elektrische treinen, voorzien van closet
  • RD = gecombineerd bagage- en restauratierijtuig
  • mBDk = gemotoriseerd koprijtuig, tweede klas met bagageafdeling (ICM)
  • mB = motorrijtuig zonder stuurstand, tweede klas (ICM)
  • sBFk = koprijtuig met stuurstand, tweede klas met fietsafdeling (ICM). Om hier zowel de letter s als de letter k te gebruiken is wat dubbelop: een koprijtuig heeft altijd een stuurstand. Men heeft dit gedaan om duidelijk het onderscheid met de gemotoriseerde koprijtuigen aan te geven.

Opmerkingen




Aanwijzing

Als er wat bijzonders aan de hand is, kan een machinist bij wijze van waarschuwing een "aanwijzing" krijgen. Vroeger heette dat een "lastgeving", maar dat klonk een beetje onvriendelijk. Voorbeelden:

  • aanwijzing overweg (waarschuwing voor een mogelijk gestoorde overweg)
  • aanwijzing verkeerd spoor (trein wordt over een niet-beveiligd linkerspoor geleid)
  • aanwijzing STS: toestemming om een stoptonend sein te passeren (maximaal 40 km/uur, rekening houdend met overwegen die mogelijk niet automatisch sluiten)
  • aanwijzing VR: voorzichtig rijden (bijvoorbeeld omdat er een spoorloper is gesignaleerd)



Asopstelling

Er bestaan verschillende systemen om de asopstelling van locomotieven te beschrijven.

In bijvoorbeeld Nederland en Duitsland gebruikt men letters en cijfers. Met letters wordt het aantal aangedreven assen aangeduid, met cijfers het aantal loopassen. Als de assen ten opzichte van het frame kunnen bewegen in een draaistel of dissel, dan wordt achter het cijfer een accent geplaatst. Wanneer de assen in een draaistel elk afzonderlijk worden aangedreven, dan geeft men dat aan met een kleine nul. Bij meer gecompliceerde asopstellingen worden haakjes gebruikt om aan te geven welke assen bij elkaar horen. Voorbeelden:

  • 2'C1' = twee loopassen, dan drie drijfassen, tot slot een loopas (bijvoorbeeld DB Baureihe 01 en 03)
  • Bo'Bo' = twee draaistellen met elk twee afzonderlijk aangedreven assen (bijvoorbeeld NS serie 1100)
  • B'B'= twee draaistellen met elk één motor die twee assen aandrijft (bijvoorbeeld NS serie 1600)
  • (1A) Bo (A1) = twee draaistellen met elk een aangedreven as en een loopas, en in het midden nog twee aangedreven assen (bijvoorbeeld NS serie 1000)

In onder andere Engeland en de VS telt men niet het aantal assen maar het aantal wielen, en gebruikt men alleen cijfers. Bijvoorbeeld 0-6-0 is een locomotief met nul loopassen en drie drijfassen. Bij locomotieven met meer drijfwerken gebruikt men een plusteken: 4-6-2+2-6-4. Bij tenderlocomotieven voegt men een T toe: 2-4-2T. (Het Engelse "tender locomotive" betekent locomotief met losse tender. Wat wij een tenderlocomotief noemen, heet in het Engels een "tank engine".)

In verschillende landen is de asopstelling (min of meer) verwerkt in het locomotiefnummer. Voorbeelden:

Pacific, Atlantic...
In de Verenigde Staten worden stoomlocs vaak aangeduid met een typering die de asopstelling aangeeft. Sommige van die typeringen worden ook in Europa wel gebruikt. Voorbeelden: Atlantic (2'B1'), Pacific (2'C1'), Baltic (2'C2'), Consolidation (1'D), Mikado (1'D1').




Baak, baken, bakens

Seinen worden vaak vooraf gegaan door een baak. Vroeger waren dat grote objecten, zoals schuingeplaatste planken. Tegenwoordig worden reflectoren gebruikt.

Een ander soort baak wordt gebruikt bij de treinbeveiliging: tussen of naast de rails geplaatste spoelen of antennes die communiceren met de beveiligingsapparatuur aan boord van de trein.

Het meervoud van baak is baken, maar baken wordt vaak ook als enkelvoud gezien. Vandaar het ontstaan van het dubbele meervoud bakens.




Bakcode

Treinstellen bestaan uit twee of meer rijtuigen, die allemaal hetzelfde treinstelnummer dragen. Om individuele rijtuigen te kunnen onderscheiden, hebben die een administratieve bakcode.




Basisuurpatroon, goederenpad

De NS kent een zogeheten starre dienstregeling, waarbij treinen volgens een vast patroon rijden. Dat patroon herhaalt zich elke 60 minuten. Dit is het "basisuurpatroon", afgekort BUP. Voorbeeld: als reiziger weet je dat de treinen van A naar B altijd om .08 en .38 over het uur vertrekken.

Bij het opstellen van de dienstregeling wordt ook rekening gehouden met goederentreinen. Hiervoor worden "goederenpaden" vrijgehouden in het basisuurpatroon. Voorbeeld: als treinspotter weet je dat je om .10 en .40 een goederentrein kunt verwachten.

Zie ook het tijd-wegdiagram.




Baureihe, Reihe, Class en andere aanduidingen

In Duitsland worden locomotieven en treinstellen ingedeeld naar Baureihe (bouwserie). Baureihe 23 bestaat uit de locomotieven 23 001 t/m 23 105. Baureihe wordt ook wel afgekort tot BR: loc 23 023 behoort tot de BR 23. Fout is "loc BR 23 023".

In een Baureihe zijn vaak verschillende gelijksoortige locomotieven ondergebracht. In de Baureihe 01 zitten zowel tweecilinderlocs (nummers vanaf 001) als driecilinderlocs (nummers in de 1000-serie). Laatstgenoemde locs (bijvoorbeeld 01 1075) behoren tot de Baureihe 01.10 of 0110. Meer over het nummerschema van Duitse locomotieven.

In Oostenrijk spreekt men van Reihe in plaats van Baureihe: loc 93.1329 behoort tot Reihe 93. In Oostenrijk zetten ze een punt tussen het serienummer en het volgnummer, in Duitsland een spatie.

In Groot-Brittannië spreekt men over Class: Class 27 bestaat uit de locs 27000 t/m 27006 (vroeger had men hier de gewoonte om te beginnen met volgnummer 0 in plaats van 1).

In Nederland spreekt men over serie: loc 1201 uit de serie 1200. In Frankrijk spreekt men over série: série BB 8100 bestaat uit de locs BB 8101 t/m 8271.

In België spreekt men over reeks (in het Frans série): loc 2501 behoort tot reeks 25, loc 2551 behoort tot de subreeks 25.5. Tot 1971 hanteerde de NMBS een ander nummer­systeem en sprak men over type: loc 125.001 is van het type 125. (125.001 is het oude nummer van 2501.) Voor de uitleg van HLD, HLE en andere toevoegsels zie Belgische telegrafische codes.




Bh, hoedje

Automatische koppelingen werden vroeger beschermd met een afdekplaat. Deze werd bh of hoedje genoemd. Een machinist vergat weleens om zo'n afdekplaat af te nemen voordat hij treinstellen ging koppelen. Vergelijk het binnenrijden van een garage zonder de garage­deuren open te doen. Vanwege verscherpte ARBO-regels is het gebruik van bh's inmiddels afgeschaft.

Bij de TGV en de ICE verdwijnt de koppeling achter boegdeuren (in het Duits: Bugklappe). Machinisten vergeten nog weleens om die te sluiten. In dat geval moeten ze automatisch dichtgaan als de trein sneller dan 30 km/uur rijdt, maar vaak zie je ICE's waarvan de boeg­deuren openstaan. Laat vuil en sneeuw maar naar binnen komen, daar kan zo'n trein best tegen...




Betuwelijn, Betuweroute, gemengde net

De Betuwelijn is de bijnaam van de spoorweg van Elst via Geldermalsen naar Dordrecht. Deze boemellijn is rond 1875 aangelegd. Sinds 2007 is er ook een Betuweroute, een goederenlijn van Rotterdam naar de grens bij Zevenaar, die min of meer evenwijdig loopt aan de Betuwelijn. De Betuweroute wordt ten onrechte vaak ook Betuwelijn genoemd.

Over de Betuweroute rijden alleen goederentreinen. Wanneer dat om een of andere reden niet mogelijk is, worden goederentreinen via het "gemengde net" omgeleid, dat wil zeggen het spoornet dat ook door personentreinen wordt gebruikt. De treinen rijden dan via Venlo of via Arnhem naar Duitsland.




Biel, biels, bielzen (dwarsliggers)

Spoorstaven zijn meestal bevestigd op dwarsliggers. Een ander woord voor dwarsligger is biel, meervoud biels. Geleidelijk is men biels als enkelvoud gaan zien, vandaar het ontstaan van het dubbele meervoud bielzen. Echte spoormensen spreken nooit over biels, maar over dwarsliggers of "houten".

Dwarsliggers liggen doorgaans om de 60 cm. Per kilometer zijn dat er 1666. Ze liggen in een ballastbed van steenslag, niet van grind. Grind is glad, en steenslag is hoekig en blijft daardoor goed op zijn plaats liggen. Per meter spoor wordt ongeveer 4 ton steenslag gestort, ofwel 4 miljoen kilo per kilometer.

In het Engels wordt een dwarsligger een "sleeper" genoemd, maar "sleeper" kan ook slaaprijtuig betekenen.

Zie ook het thema Bielsbouwsels.

Ballast (steenslag) wordt veelal vervoerd in speciale ballasttreinen.




Bok, meester

Een machinist zit op de "bok" van de trein. Dat is de bijnaam van zijn cabine. In België spreekt men over stuurpost.

In de stoomtijd was je trouwens alleen machinist als je een stoomloc bediende. Wie op een treinstel reed was een wagenvoerder. Machinisten worden nog steeds vaak aangeduid als "meester". Die term is afkomstig uit het stoomtijdperk toen de machinist de stoker opleidde tot machinist.




Booster

Booster betekent assistent, versterker. Grote stoomlocomotieven waren soms voorzien van stoomaandrijving op een of meer loopassen. Die konden dan tijdens het optrekken meehelpen. Zodra de locomotief enige snelheid had bereikt, werd de booster automatisch uitgeschakeld. Boosters werden voornamelijk toegepast in de Verenigde Staten en Canada. In Groot-Brittannië heeft de LNER geëxperimenteerd met enkele locomotieven, maar dat was geen succes.

Booster is ook de aanduiding van cabineloze diesellocomotieven, die als versterking gekoppeld kunnen worden aan andere locomotieven. Men spreekt over A units (met cabine) en B units (zonder cabine). Een booster wordt ook wel 'slave' genoemd. Voorbeelden.




Calamiteitenreiniging

Extra grondige reiniging van een trein na een calamiteit, doorgaans een aanrijding met een persoon.




Cargo, Unit Cargo

Tegenwoordig moet alles in het Engels, anders klinkt het zo gewoon. Je zegt dus niet meer goederen maar cargo.

Unit Cargo is de Engelse term voor wagenladingvervoer. Een wagenladingtrein rijdt volgens een vaste dienstregeling. Bedrijven kunnen hun wagens met dit soort treinen meegeven. Vaak worden de wagens onderweg overgegeven aan een andere trein. In Nederland gebeurt dat op de Kijfhoek, een groot rangeerterrein bij Rotterdam. Veel van deze treinen gaan vervolgens naar het rangeerterrein Gremberg bij Keulen.

Vroeger vond er veel meer wagenladingvervoer plaats. Elk station van enige betekenis had wel een losplaats waar klanten hun goederen konden brengen en halen. Of men schakelde hiervoor Van Gend & Loos in. De wagens werden met buurtgoederentreinen vervoerd naar grotere rangeerstations, waar ze werden gesorteerd naar bestemming. Dat gebeurde vaak met behulp van rangeerheuvels. Deze zijn bijna overal verdwenen. Op de Kijfhoek wordt nog wel geheuveld.

Het tegenovergestelde van een wagenladingtrein is een bloktrein (in het Engels Charter). Dat is een trein die voor één bepaalde klant rijdt, rechtstreeks van beginstation naar de eindbestemming. Bekende voorbeelden zijn de kolentreinen en ertstreinen.

Websites van goederenvervoerders. Boeken over goederenvervoer in Nederland.




Coach-opstelling, vis-à-vis

In bussen en vliegtuigen is het de gewoonte om alle stoelen dezelfde kant op te plaatsen, zodat iedereen vooruit rijdt of vliegt. Dit is de zogeheten coach-opstelling. Het tegen­over­gestelde is de opstelling waarbij de reizigers elkaar aankijken: vis-à-vis.

In treinen komen beide opstellingen voor. Bij de coach-opstelling wordt dan de helft van de stoelen vooruit gezet, de andere helft achteruit, omdat een trein van richting kan veranderen. Er zijn mensen die denken dat ze niet tegen achteruit rijden kunnen, maar dat is verbeelding. Achteruit rijden is trouwens veiliger dan vooruit rijden, omdat je dan bij een botsing in je stoel wordt gedrukt in plaats van te worden gelanceerd.

Het nadeel van de coach-opstelling is dat je minder beenruimte hebt. Het voordeel is dat je medereizigers je niet kunnen aanstaren. Er bestaan ook banken waarvan de leuning kan worden omgeklapt, zodat men (al dan niet in overleg met de medereizigers) zelf een opstelling kan kiezen. Dit soort banken werd onder andere toegepast in Duitse railbussen en in de Zwitserse Roter Pfeil.




Conducteur, contrôleur, chauffeur, wattman

Le conducteur is de treinbestuurder of machinist. De conducteur, in België ook de treinbegeleider genoemd, heet in het Frans le contrôleur. De machinist van een stoom­locomotief is le mécanicien, de stoker is le chauffeur.

In België en Frankrijk werd een bestuurder van elektrische trams vaak wattman genoemd: hij regelt hoeveel watt er naar de motoren gaat.




Contrarail, strijkregel

Op bruggen zie je tussen de spoorstaven vaak twee extra rails, die aan de uiteinden in een V-vorm naar elkaar toelopen. Dit zijn contrarails, die ervoor moeten zorgen dat een onverhoopt ontspoorde trein in het gareel blijft.

Bij wissels zie je stukjes rail met een vergelijkbare functie: zorgen dat een trein niet ontspoort bij de onderbrekingen die in het wissel noodzakelijk zijn. Dit noemt men strijkregels.




Deutsche Reichsbahn, Deutsche Bundesbahn, Deutsche Bahn

In 1920 werden de verschillende Duitse spoorwegmaatschappijen samengevoegd tot Deutsche Reichsbahn Gesellschaft (DRG). In 1937 werd de naam gewijzigd in Deutsche Reichsbahn (DRB). Na de oorlog ont­stonden er twee maatschappijen: in het westen de Deutsche Bundesbahn (DB), in het oosten de Deutsche Reichsbahn (DR). Na de hereniging van beide Duitslanden werden de spoorwegen in 1994 omgedoopt in Deutsche Bahn (DB). Het logo hiervan zie je hiernaast.

Goederenvervoer
DB Schenker Rail is een grote goederenvervoerder die in diverse landen actief is. Het bedrijf werd op 1 januari 1999 opgericht onder de naam DB Cargo. Na een eerste fusie in 2000 werd de naam Railion ingevoerd. In 2009 werd de naam veranderd in DB Schenker Rail. Per 1 maart 2016 is de naam weer veranderd in DB Cargo, althans voor de spoorwegtak. De andere activiteiten vinden nog steeds plaats onder de naam DB Schenker*.

*) De naam Schenker komt van Gottfried Schenker (1842-1901), oprichter van het gelijknamige transportbedrijf.

Andere bedrijven
Andere bedrijven onder de vlag van Deutsche Bahn zijn DB Fernverkehr (exploitant van onder andere de ICE), DB Regio, DB Netze (vergelijkbaar met het Nederlands ProRail), DB Nachtzug en DB AutoZug (met dochteronderneming City Night Line).

Verkortingen
Bw = Bahnbetriebswerk (depot, oude benaming); Bh = Betriebshof (depot, nieuwe benaming); AW = Ausbesserungswerk (herstelwerkplaats); RAW = Reichsbahnausbesserungswerk; Hbf = Hauptbahnhof; Pbf = Personenbahnhof; Rbf = Rangierbahnhof; Gbf = Güterbahnhof. Meer Duitse verkortingen.

Zie ook het thema over Duitsland.




Doorstroomstation

Grote stations als Utrecht kunnen de status van doorstroomstation krijgen. Dat klinkt heel dynamisch. Maar in de praktijk verdwijnen door het opbreken van wissels veel mogelijkheden om in te grijpen bij verstoringen. Een storing bij Schiphol kan dan tot voorbij Arnhem effect hebben op het treinverkeer.




Dosto

Duitsers houden ervan om lange woorden te maken door ze aan elkaar te plakken. Vervolgens bedenken ze daar dan weer een verkorte vorm voor. Een voorbeeld is Doppelstockwagen (dubbeldekswagen). Die noemen ze Dosto (meervoud Dostos).

Dubbeldekkers zijn handig, omdat je daarmee de capaciteit kunt vergroten zonder de trein langer te maken. Je kunt nog een stap verder gaan; dan krijg je een tripledekker.




Dubbel geel

Sommige lichtseinen van NS konden vroeger het seinbeeld dubbel geel tonen, om te waarschuwen dat het volgende sein geel was. In Engeland noemt men dit seinbeeld double yolk = dubbeldooier. Meer uitleg.




Dubbeltractie, gemengde tractie, opdrukken

Zie uitleg in het thema dubbeltractie.




D-Zug, F-Zug, Eilzug

D-trein komt van het Duitse Durchgangszug (D-Zug), waarbij het woord Durchgang sloeg op het feit dat de rijtuigen via vouwbalgen met elkaar waren verbonden. In het Duits noemt men een D-Zug meestal Schnellzug, niet te verwarren met sneltrein (Eilzug). Voor deze treinen was doorgaans een toeslag verschuldigd van enkele marken. In Nederland reden alleen D-treinen in het internationale verkeer; de toeslag was een paar gulden. Alleen speciale treinen rijden nog als D-trein. Tegenwoordig reizen we per ICE.

Een ander type was de FD-Zug (Fernschnellzug), later F-Zug. Dat waren langeafstandstreinen waarin de laagste (derde) klas ontbrak en waarvoor een extra toeslag moest worden betaald. Wanneer deze treinen werden gereden door een treinstel, zoals de Fliegende Hamburger, dan sprak men van FDt-Zug (Fernschnellzug mit Triebwagen). De rijtuigen van deze treinen waren vaak staalblauw, zoals die van de Henschel-Wegmann-Zug. Met de komst van andere treintypen, waaronder de TEE, verdween de F-Zug.

Behalve de Eilzug (sneltrein) kent men de Personenzug (stoptrein). Zie ook Personenzug mit Güterbeförderung.




Engelse wissels en meer

Wat is het verschil tussen een Engels wissel en een kruiswissel? Hoe ziet een Bäseler Weiche eruit? Kennen ze in Engeland ook Engelse wissels? En wat is een Engelse vertakking? Lees verder.




È pericoloso sporgersi

È pericoloso sporgersi = het is gevaarlijk om naar buiten te leunen. In de tijd dat de ramen van rijtuigen nog open konden, werd er in verschillende talen, waaronder het Italiaans, voor gewaarschuwd dat je je hoofd binnenboord moest houden.




Expres, Express, Limited

Bijzondere sneltreinen krijgen vaak een naam waarvan het woord "expres" deel uitmaakt. In het Nederlands schrijven we dat met één s, in andere talen met twee. Bijvoorbeeld Bergland Expres, Austria Expres of Trans Europ Express.

Vreemd is de naam Krokus Express. Je schrijft toch ook niet Krokuss?

In het Frans bestaat ook het woord "expresse", maar dat gebruik je alleen in uitdrukkingen die met postbezorging te maken hebben: par expresse = per ijlbode. Fout zijn dus Nostalgie Expresse of VPRO Expresse.

Een Engels/Amerikaans begrip is Limited. Dat is een exprestrein die onderweg niet stopt of alleen op een paar grote stations, en waarvoor vaak een extra toeslag betaald moet worden: Brighton Limited, Broadway Limited.




Ferroequinologist, trainspotter, number cruncher, Pufferküsser, spoorseksueel, ...

Voor spoorwegbelangstellenden bestaan diverse, vaak minder vleiende, aanduidingen. Enkele voorbeelden:

  • Een ferroequinologist beoefent de ferroequinology: het bestuderen van ijzeren paarden.
  • Number cruncher: A fanatical type of rly enthusiast given to collecting or 'observing' locomotives and other vehicles and recording their numbers until all have been seen. The gear carried often includes binoculars, personal tape recorder and camera. The somewhat pointless obsession is in extreme cases carried over from childhood and adoloscence into middle and old age and is almost exclusively confined to males. (Railway Dictionary. An A-Z of railway technology. Alan A. Jackson. Wordsworth Reference, 1997.)
  • Rail Rookies: de 'kidsclub' van het Spoorwegmuseum. Een rookie (spreek uit roekie) is een nieuwkomer, beginneling.

Enige onmisbare literatuur voor trainspotters.

Zie ook mijn mening over internetfora.




Fluiten, fluitbord

Zie tyfoon.




Gelede stoomlocomotieven

Gelede stoomlocomotieven:

Zie ook Stalins locomotief

Stoomlocs op draaistellen:




Gemengde net

Zie Betuweroute.




Gevleugeld wiel

Het gevleugelde wiel komt in veel gedaanten voor als symbool van de spoorwegen.




Hamer

Wat doet de man met de hamer?




Heuvelen, rangeerheuvel

Een snelle manier om goederentreinen samen te stellen is het heuvelen. De losgekoppelde goederenwagens worden door een locomotief tegen een heuvel opgeduwd. Een wagen die over de top van de rangeerheuvel heen is, zal door de zwaartekracht naar beneden rollen. Via een wisselstraat wordt de wagen naar een van de sporen geleid waar de nieuwe goederentreinen worden samengesteld. Wagens die te snel naar beneden rollen, worden door middel van in het spoor gemonteerde railremmen automatisch afgeremd. Vroeger werd hierbij ook gewerkt met remsloffen, maar dit was een gevaarlijke bezigheid.

In Nederland zijn nog rangeerheuvels te zien op de Kijfhoek, in Amersfoort en Onnen (niet meer in gebruik). Voor Duitse voorbeelden zie Köln Eifeltor en Stolberg.

= heuvelen verboden (aanduiding op wagen of rijtuig). Als onder dit symbool een waarde staat, bijvoorbeeld 500m, dan betekent dit: verboden te heuvelen als de boogstraal van de heuvel minder dan 500 meter is.




HLD, HLE...

Dit zijn Belgische telegrafische codes waarmee rollend materieel werd en wordt aangeduid.




Hogesnelheidslijn, hogesnelheidstrein

Een hogesnelheidslijn is een spoorlijn waarop meer dan 200 km/uur kan worden gereden. Hiervoor gebruikt men hogesnelheidstreinen, zoals de ICE of TGV.

Aan elkaar schrijven, dus "hogesnelheidslijn". Niet "hoge snelheidslijn", want "hoge" slaat op "snelheid", niet op "lijn". Afkorting hsl.




Intercity

Vroeger had je stoptreinen, die overal stopten, en sneltreinen, die alleen op grotere stations stopten. Het woord stoptrein is inmiddels vervangen door het dynamischer klinkende sprinter, terwijl de sneltrein nu intercity heet.

Intercity-Plus en IC+

De Intercity-Plus was een trein waarin een restauratie­rijtuig van Wagons-Lits meereed. Dit gebeurde op werkdagen in enkele forensentreinen tussen Amsterdam en Maastricht, en tussen Den Haag en Heerlen. In deze treinen, waar een toeslag van 6 gulden voor moest worden betaald, reden verder Franse Corail-rijtuigen. De proef met deze treinen duurde van de winter 1978/79 tot de zomer van 1981.

Van 1995 tot 1999 werd een soortgelijke proef gedaan met de IC+. Deze trein, bestaande uit aangepaste ICR-rijtuigen, reed tussen Den Haag en Heerlen, in het laatste jaar tussen Haarlem en Eindhoven/Maastricht.

Er hebben ook andere speciale forensentreinen gereden, zoals de Randstad Expres. Zie extra pluche & comfort.




Jacobsdraaistellen, jacobsladder

Bij treinstellen rusten de rijtuigen weleens op gemeenschappelijke draaistellen. Dit noemt men jacobsdraaistellen.

Jacob, ook geschreven als Jakob, was een bijbelse figuur die een droom had over een ladder die van de aarde naar de hemel reikte. Een jacobsladder is een transportband: een lopende band met ribbels waarmee men stortgoederen omhoog kan brengen. Het is ook de naam van een speeltje met plankjes die op een speciale manier aan elkaar zijn gebonden.




Kleuren van Nederlandse treinen

Overzicht van de kleuren die op Nederlandse treinen zijn of worden gebruikt, waaronder de codes van de gebruikte verven.




Knalsein

Een knalsein werd op de rails gelegd als bij dichte mist de seinen onzichtbaar waren, of in geval van calamiteiten. Wanneer er een trein overheen reed, klonk er een luide knal om de machinist te waarschuwen.

Het heeft er verder niets mee te maken, maar de Duitse e-locs van de Baureihe E41 droegen de bijnaam Knallfrosch (voetzoeker), naar de knallende geluiden van de pneumatische schakelwals.




Knuppelen

Schroefkoppelingen losmaken met behulp van een lange balk werd knuppelen genoemd.




Kopmaken, omlopen

Kopmaken betekent dat de trein stopt, en vervolgens weer vertrekt in de richting waar ze vandaan is gekomen. Het kan nodig zijn dat de locomotief eerst aan de andere kant van de trein wordt geplaatst: de locomotief moet dan omlopen. Stoomlocomotieven laat men het liefst met de schoorsteen voor rijden. Om een locomotief te draaien gebruikt men een draaischijf, maar het kan ook op andere manieren. Dit wordt allemaal geïllustreerd in Kopmaken, omlopen, driehoeken.




Koppelwagen, koppelrijtuig

Dit zijn voertuigen die worden gebruikt om materieel met verschillende koppelingen met elkaar te kunnen verbinden. Bijvoorbeeld een locomotief met schroefkoppeling aan een treinstel met automatische koppeling. Dit kan ook met koppelstangen of sleepkoppelingen. Zie het thema Koppelingen.

Engelse termen: barrier vehicle (koppelwagen), barrier coach (koppelrijtuig).




Kopspoor, kopstation

Spoor resp. station waar treinen niet verder kunnen rijden. Zie ook zakspoor.




Motorrijtuig, motorwagen

In een rijtuig kunnen passagiers zitten, in andere gevallen noem je het een wagen. Als er een motor inzit, noem je het dus een motorrijtuig (voor reizigers) of een motorwagen (geen reizigers). Maar als verzamelnaam of algemene term kun je ook "motorwagen" gebruiken.

In het Duits maakt men dit onderscheid niet en spreekt men van Triebwagen.

Motorwagens of motorrijtuigen zijn vaak onderdeel van een treinstel of treinstam.




Mottenballenvloot

Overbodig geworden schepen of voertuigen bewaart men vaak nog een tijd als (strategische) reserve. Zo zijn na afloop van de stoomperiode in diverse landen nog jarenlang stoomlocomotieven achter de hand gehouden. Zoiets noemt men een mottenballenvloot.




Landcodes UIC

Het 3e en 4e cijfer van de UIC-code is de landcode (tot 2005 werd dit de eigendomscode genoemd). Omdat er in veel landen meer maatschappijen actief zijn, wordt bij de UIC-code vaak ook een afkorting van de eigenaar vermeld.

10  Finland
20  Rusland
21  Wit-Rusland
22  Oekraïne
23  Moldavië
24  Litouwen
25  Letland
26  Estland
27  Kazachstan
28  Georgië
29  Oezbekistan
30  Noord-Korea
31  Mongolië
32  Vietnam
33  China
40   Cuba
41  Albanië
42  Japan
43* GySEV
49* Bosnië-Herzegovina
50* DDR
51  Polen
52  Bulgarije
53  Roemenië
54  Tsjechië
55  Hongarije
56  Slowakije
57  Azerbeidzjan
58  Armenië
59  Kirgizië
60  Ierland
61  Zuid-Korea
62  Montenegro
65  Macedonië
66  Tadjikistan
67  Turkmenistan
68  Afghanistan
70  Groot-Brittannië
71  Spanje
72  Servië
73  Griekenland
74  Zweden
75  Turkije
76  Noorwegen
78  Kroatië
79  Slovenië
80  Duitsland
81  Oostenrijk
82  Luxemburg
83  Italië
84  Nederland
85  Zwitserland
86  Denemarken
87  Frankrijk
88  België
90  Egypte
91  Tunesië
92  Algerije
93  Marokko
94  Portugal
95  Israël
96  Iran
97  Syrië
98  Libanon
99  Irak

Overzicht per 2014, bron fr.wikipedia.org/wiki/Liste_des_codes_pays_UIC

* De codes 43 (GySEV) en 50 (DDR) zijn vervallen. Voor Bosnië-Herzegovina (nu 49) zijn enige jaren de codes 44 (Servische Republiek) en 50 (Moslim-Kroatische Federatie) gebruikt.

Zie ook UIC, RIC, RIV.




Lastgeving

Zie aanwijzing.




Locomotief of lokomotief?

In de jaren 70 was de zogenaamde "toegelaten" spelling in de mode: dan schreef je "lokomotief", terwijl de voorkeur­spelling "locomotief" was. Beide spellingen waren opgenomen in het Groene Boekje uit 1953. Meestal had de letter c de voorkeur boven de letter k, behalve in het woord "produkt" en bij woorden met een Griekse achtergrond zoals "elektra". Een bijzonder geval: "kopie" was voorkeurspelling, maar "copie" mocht ook. Maar wie het woord "fotokopie" opzocht, zag dat "fotocopie" de voorkeurspelling was.

Bij de spellinghervorming uit 1996 is de keuze tussen voorkeurspelling en toegelaten spelling verdwenen: alleen locomotief komt nog in het Groene Boekje voor. Ook is het sindsdien "product". Woorden als "elektra" gaan nog steeds met een k, dus hier liggen kansen voor toekomstige spellingsleutelaars.




Loctrein, opzending

Een trein die bestaat uit een of meer locomotieven, maar verder zonder wagens of rijtuigen, noemt men een loctrein. In dienstregelingen gebruikt men als verkorting LLT: losseloctrein. De toevoeging "losse" is overbodig, maar als je het doet: aan elkaar schrijven, geen spaties. En een loktrein is weer wat anders dan een loctrein.

Het laten rijden van losse locs probeert men te vermijden. Liever geeft men een loc mee aan een trein die dezelfde kant op moet. Dat scheelt een machinist en het legt minder beslag op de capaciteit van het spoor. Men zegt dan dat men een locomotief in opzending meegeeft: zo'n locomotief helpt niet mee met het trekken van de trein. Dat is wat anders dan dubbeltractie: in dat geval trekken beide locs wel mee.




Namen en bijnamen

Locomotieven en bijzondere treinen hebben vaak een naam of bijnaam.




Nederlandse Spoorwegen

Lees meer over de geschiedenis van de Nederlandse Spoorwegen.




Noodrem

Over de ontwikkeling van de noodrem. En waarom die het soms niet doet.




NS Hispeed, NS International

NS Hispeed is het hogesnelheidsmerk van NS en biedt hogesnelheids­vervoer aan op nationale en internationale bestemmingen. Naast Fyra verkoopt NS Hispeed ook tickets voor hogesnelheidstreinen als Thalys, ICE International, Eurostar en TGV. NS Hispeed maakt deel uit van Railteam, een samenwerking tussen Europa’s belangrijkste hogesnelheids­ondernemingen. Railteam sluit de Europese hoge­snelheids­lijnen naadloos op elkaar aan.

Tekst: NS Hispeed. Na het Fyra-echec heeft men de naam veranderd in NS International.




OBIS

OBIS = On Board Information Services. Dat is het reizigersinformatiesysteem dat sinds 2010 in intercity's wordt ingebouwd. Het levert actuele informatie via beeldschermen en via automatische omroep. Ook biedt het de reizigers toegang tot internet via wifi.

In Sprinters (SLT) zitten ook beeldschermen, maar die zijn van een ander systeem dan OBIS.




Onbruikbare pas

"Onbruikbare pas, betaal anders". Melding op kaartjesautomaat na het invoeren van een betaalpas waarmee helemaal niets aan de hand is, maar waar deze automaat even geen zin in heeft. Het kan helpen om de kaart andersom in te voeren (wel met de magneetstrip aan de onderkant). Meestal gaat het dan wel goed, maar het is altijd handig om een betaalpas van een andere bank bij je te hebben. Dan heb je vier kansen dat je niet hoeft aan te sluiten in de rij bij een andere automaat. (Inmiddels is de magneetstrip vervangen door een chip en doet dit probleem zich niet meer voor.)

Zie ook Langs de rails kraakt chipkaart.




Onderbouw, bovenbouw

Een spoorweg bestaat uit een onderbouw en een bovenbouw. De onderbouw is de ondergrond waar de spoorlijn op wordt aangelegd. Dit kan dus een spoordijk, een brug of een viaduct zijn. De bovenbouw komt op de onderbouw en bestaat uit een ballastbed (bijvoorbeeld steenslag). Op de ballast worden dwarsliggers (biels) aangebracht. Vroeger werden vooral houten dwarsliggers gebruikt. Ook stalen dwarsliggers zijn enige tijd gebruikt. Tegenwoordig gebruikt men steeds meer betonnen dwarsliggers. Op de dwarsliggers worden de spoorstaven bevestigd. Behalve onderbouw en bovenbouw kennen we ook zaken als bovenleiding en seinen.




Opdrukken, dubbeltractie, gemengde tractie

Zie uitleg in het thema dubbeltractie.




Open dag

Een open dag is een dag waarop iets voor publiek is geopend wat normaal niet voor publiek is geopend. Voorbeelden van open dagen.

Je ziet geregeld dat mensen "opendag" schrijven in plaats van "open dag". Of ze schrijven de trein rijdt "optijd" in plaats van "op tijd". Of de trein is "opweg". Een merkwaardig verschijnsel, gezien het toenemende gebruik om woorden los van elkaar te schrijven die nu juist wel aan elkaar moeten.




Opschriften op rijtuigen

Op de zijkant van rijtuigen zie je allerlei codes en tekens staan. Deze zijn bestemd voor het personeel, maar als nieuwsgierige wachtende op het perron wil je natuurlijk ook weten wat ze betekenen. Op de foto's hierboven zie je de tekens op een rijtuig van de City Night Line, en op een rijtuig van de Intercity Direct. Hieronder vind je een globale toelichting; niet alle varianten zijn beschreven.

Dit rijtuig is geschikt voor 200 km/uur. Daarachter staat in welke landen het rijtuig is toegelaten: Duitsland, Nederland, Oostenrijk, Zwitserland (toelichting). Rechts staat voor welke elektrische verwarmings­systemen het rijtuig geschikt is. De letters ee betekenen dat de elektriciteit via een centrale verwarmings­kabel wordt aangevoerd.

Lengte over de buffers (26,40 meter) en afstand tussen de draaipunten van de draaistellen (19,00 meter). Achter Ges. staat waar en wanneer het rijtuig voor het laatst is geschilderd, in dit geval Haarlem in 2009 (15 is vermoedelijk het weeknummer). Achter Rev. staat waar en wanneer het rijtuig voor het laatst uit revisie is gekomen, in dit geval in Haarlem, 30 augustus 2001.

Links: aanduiding van de punten waarop het rijtuig moet rusten als er geen draaistellen onder zitten of als het wordt opgetakeld. Rechts: verboden te heuvelen. Als onder dit symbool een waarde staat, bijvoorbeeld 500m, dan betekent dit: verboden te heuvelen als de boogstraal van de heuvel minder dan 500 meter is.

Het luidsprekersymbool geeft aan over wat voor omroep­installatie het rijtuig beschikt. Het cijfer in een vierkantje geeft aan wat over voor stuurstroomkabel het rijtuig beschikt. De letters (wc) tussen haakjes betekenen dat het rijtuig beschikt over een gesloten toilet­systeem.

Op rijtuigen die geschikt zijn om met hoge snelheid door tunnels te rijden, staat het symbool )P( of (P). In deze rijtuigen zijn de passagiers beschermd tegen plotselinge drukverschillen. Het symbool (P) betekent dat het rijtuig volledig drukdicht is.

Symbolen die betrekking hebben op het remsysteem. D in een cirkel: het rijtuig heeft schijfremmen (als er aan weerszijden twee blokjes zitten: het rijtuig heeft ook rem­blokken). K in een cirkel betekent kunststof (composiet) remblokken. Bij goederenwagens kunnen andere letters voorkomen. R in een ruit: het rijtuig heeft een snelrem of hoogvermogens­rem. Dit symbool kan ook rood zijn: dan heeft het rijtuig een snelremmings­versneller. De letters ep betekenen elektro­pneumatische rem. Noodrem­symbool: het rijtuig heeft noodremoverbrugging (de machinist kan voorkomen dat zijn trein in een tunnel tot stilstand wordt gebracht).

Gegevens over gewicht en remkracht. Het lege rijtuig weegt leeg 43 ton, het dienst­gewicht is 50 ton. Er zijn 84 plaatsen voor passagiers (bereken zelf het gemiddelde gewicht van een passagier). Rechts het remgewicht (remkracht): dit is 76 ton, of 80 ton (aangegeven in rood) als de snelremmings­versneller meewerkt. De letters geven aan van welke fabrikant het remsysteem is (bijvoorbeeld KE = Knorr Einheitsbremse, O = Oerlikon, W = Westinghouse) en het soort rem: G of M = goederen, P of RIC = personen, R = rapid/snelrem. Combinaties hiervan kunnen voorkomen; op het rijtuig zit dan een hefboom om de gewenste remstand in te stellen. Daarachter kunnen nog aanduidingen staan van nadere technische kenmerken (bijvoorbeeld Mg = magneetrem).

Opschriften op goederenwagens

Zie www.dybas.de




P-sein

Veel seinen hebben een wit bordje met een zwarte P. Dit zijn automatisch werkende blokseinen. De P staat voor permissief. Wanneer zo'n sein niet automatisch op veilig komt, mag de machinist na toestemming verder rijden tot het eerstvolgende sein zonder P. Lees meer.




Pantograaf, stroomafnemer

Een pantograaf is een apparaat dat bewegingen kan vergroten of verkleinen. Het is een hulpmiddel dat door tekenaars wordt gebruikt: een zogeheten tekenaap. Vanwege de uiterlijke gelijkenis worden stroomafnemers van treinen en trams vaak ook pantograaf genoemd, maar de juiste term is stroomafnemer. Het gedeelte dat tegen de bovenleiding wordt gedrukt heet het schuitje of sleepstuk. Er zijn stroomafnemers met een of twee sleepstukken.

Stroomafnemers van treinen zijn tegenwoordig meestal eenbenig. Tweebenige (ruitvormige) stroomafnemers zie je op oudere treinen en op trams. Op trams werden vroeger ook sleepbeugels gebruikt. Wanneer de tram in een andere richting moest rijden, moest eerst de sleepbeugel worden gedraaid. Een ander type stroomafnemer is de trolley, waarvan trolleybussen er twee hebben. De stroomafnemer is hier een aan een stang gemonteerd wieltje dat tegen de bovenleiding wordt gedrukt.




Personeel, personelen

Personeel is een woord dat geen meervoud kent, behalve bij het spoor. Stoomlocomotieven hadden vroeger vaak een vast personeel: een machinist en een stoker die verantwoordelijk waren voor hun "eigen" locomotief. Maar het gebeurde natuurlijk wel dat zo'n locomotief werd ingezet terwijl het vaste personeel verlof had. In dat geval stapte er een ander personeel op de locomotief: de personelen losten elkaar af.




Pilot

Wanneer een machinist dienst doet op een traject waar hij geen wegbekendheid (bevoegdheid) heeft, moet hij worden vergezeld door een zogeheten pilot. Waarom dit Engelse woord? Ik weet het niet. Een goed Nederlands woord is piloot, dat loods of gids betekent. Het woord stamt af van "peillood", een instrument dat door loodsen werd gebruikt.

De foto hiernaast is in de nazomer van 1961 gemaakt door mijn vader, vanuit een bus die een excursie maakt naar de grote stuwdam bij Eupen in Duitstalig België.

Zie ook piloot.




Plan A t/m Plan Z

Bepaalde treinstellen en rijtuigtypes worden aangeduid met een planletter. De NS is hiermee begonnen bij de bouw van mat'46 (Plan A) en ging hier mee door tot de letters van het alfabet op waren. Daarna is men andere aanduidingen gaan gebruiken, zoals IRM, VIRM, DM'90, SM'90, ICR, ICK, DDM.

  • Plan A, AB, B = materieel '46
  • Plan C = postrijtuig (op basis van Plan D)
  • Plan D = rijtuig (afgeleid van de vooroorlogse "Bolkop"). Een rijtuig Plan D is wat anders dan een D-rijtuig.
  • Plan E = rijtuig (komt overeen met middenbak mat'54)
  • Plan F, G, M, P, Q = materieel '54 (Hondekop)
  • Plan K = rijtuig ("Bolkop" voor internationale dienst)
  • Plan L = postrijtuig (op basis van Plan E)
  • Plan N = slaaprijtuig (later omgebouwd tot zitrijtuig)
  • Plan O = nooit gebouwd AB-rijtuig; ontwerp uit 1957 van
    W. de Steur (Allan); zie tekening hiernaast
  • Plan T = vierwagentreinstel mat'64 (deelseries T1 t/m T3)
  • Plan U = dieselelektrisch driewagentreinstel (DE3)
  • Plan V = tweewagentreinstel mat'64 (deelseries V1 t/m V13)
  • Plan W = rijtuig (afgeleid van Duitse "Silberlinge") (deelseries W1 en W2)
  • Plan X = DE1 en DE2 (Blauwe Engel)
  • Plan Y = Sprinter (SGM) (deelseries Y0 t/m Y3)
  • Plan Z = Koploper (ICM) (deelseries Z0 t/m Z2)

De letters H, I, J, R en S zijn nooit gebruikt. De in deze periode gebouwde Benelux-treinstellen en TEE-treinstellen hebben geen planletter gehad. Ook locomotieven en motorposten hadden geen planletter.

Bij gemoderniseerd materieel plaatst men tegenwoordig een m achter de typeaanduiding. Bijvoorbeeld SGMm = gemoderniseerde Sprinter, ICRm = gemoderniseerd intercityrijtuig. IRM werd eerst vernieuwd tot VIRM, en daarna tot VIRMm.

Zie ook namen en bijnamen.



Profiel van vrije ruimte (PVR)

Dit is de minimale ruimte die vrijgehouden moet worden naast en boven het spoor. Bij goederenwagens waar de lading uit kan steken, kan dit worden gecontroleerd met een ladingmal. Lees meer over het vrijeruimteprofiel en ladingmallen.




Puffertellerwarnanstrich

Tijdens de oorlog moesten de treinen 's nachts zonder verlichting rijden. Om ze toch enigsins zichtbaar te maken voor het personeel, werden de randen van de buffers wit geschilderd. Ook na de oorlog werd dit vaak nog gedaan, maar nu om cosmetische redenen.




Rading, Hollandsche Rading

Het woord rading betekent lijn of grens. In de Van Dale is rading tegenwoordig niet meer opgenomen, omdat het niet meer zou voldoen aan de opnamecriteria. Vreemd, want het woord wordt nog steeds vaak gebruikt, al was het maar door mensen die een kaartje naar Hollandsche Rading kopen om daar lekker te gaan wandelen. Maar in hun dure woordenboek zoeken ze vergeefs naar de betekenis van rading.




Railpro

In 1995 werd NS opgesplitst en werden diverse onderdelen geprivatiseerd. Zo ontstond onder andere Railpro (niet te verwarren met ProRail), dat zorgdraagt voor de railinfrastructuur. Sinds 2002 is Railpro onderdeel van het Oostenrijkse bedrijf voestalpine (met kleine letter v).




Railway, Railroad, Tramway

Het gebruikelijke Engelse woord voor spoorweg is 'railway'. In de Verenigde Staten is het woord 'railroad' gangbaar, maar ook railways komen hier voor. Spoorwegmaatschappijen raakten nogal eens in financiële problemen, zodat een sanering nodig was. De naam van de maatschappij moest dan worden veranderd. Om te zorgen dat die naam toch herkenbaar bleef, veranderde men dan railroad in railway: zo werd de Delaware & Eastern Railroad in 1907 omgedoopt tot Delaware & Eastern Railway. Hierna veranderde deze maatschappij nog enkele malen van naam.

Het woord 'tramway' werd vanaf circa 1500 gebruikt voor lichte treintjes in bijvoorbeeld mijnen, die op primitieve rails reden en niet bedoeld waren voor het vervoeren van passagiers.




Reeks, type

Zie Baureihe.




Reetveger

Het woord "reetveger" zal tegenwoordig allerlei scabreuze gedachten oproepen. Het gaat hier echter om een eerzaam, zij het uitgestorven, beroep. Een reet is een kier of spleet. Een reetveger was iemand die de rails van de paardetram schoonmaakte: hij verwijderde dagelijks de ontlasting van de paarden en andere rommel uit de rails, zodat de trams onbelemmerd konden blijven rijden. Een wat chiquere benaming voor dit beroep was "railleur".




Regulateur, ganghandel

De regulateur en het ganghandel zijn twee belangrijke instrumenten voor de machinist van een stoom­locomotief. Hiermee regelt hij de stoomtoevoer naar de cilinders. Het vakmanschap van een machinist wordt voor een belangrijk deel bepaald door de manier waarop hij het samenspel tussen deze twee instrumenten beheerst. De regulateur is de hoofdkraan: hiermee laat de machinist stoom uit de ketel via de stoomdom naar de cilinders lopen. De regulateur heeft meestal de vorm van een grote hefboom in het midden van de cabine, tussen de machinist en de stoker in.

Met het ganghandel vindt de fijnregeling van de stoomtoevoer plaats. Tijdens het optrekken is veel stoom nodig, tijdens het rijden kan de hoeveelheid stoom per cilinderslag - de zogeheten vulling - worden verminderd. Het ganghandel is vaak aan de buitenkant van de locomotief te zien: een lange stang die van het machinistenhuis naar de cilinders loopt. Deze stang wordt meestal bewogen door aan een verticaal wiel te draaien. Door dat wiel vanuit de nulstand nog verder door te draaien, wordt de stoomtoevoer omgekeerd. De locomotief zal dan achteruit rijden (in het Engels heet het ganghendel 'reverser').




Roestrijden

1) Het berijden van weinig gebruikte sporen of wisselverbindingen, zoals overloopwissels, om roestaanslag van de rails te verwijderen. Van belang om ervoor te zorgen dat de spoorrails elektrisch geleidend blijven.

2) Het rijden met roestige treinen, al dan niet in combinatie met betekenis 1. Zie www.roestrijden.nl.




Rolbok, rolwagen, rolbrug

Om normaalsporige wagens te kunnen vervoeren over smalspoorlijnen, worden rolbokken of rolwagens gebruikt.

Een rolbrug wordt gebruikt om locomotieven of wagens te verplaatsen naar een ander spoor.




Seinhuizen (nummering)

Seinhuizen kregen per station nummers of letters. De hoofdpost droeg altijd de letter T (treindienstleider), andere posten kregen een letter (beginnend bij A) of een romeins cijfer. Hierin is nog iets terug te vinden van de Nederlandse spoorweghistorie: bij de HSM kregen de seinhuizen een cijfer, bij de SS een letter.




Signal on, off

Een hoofdsein heet in het Engels een stop signal. Dit kan onveilig zijn: "on" of veilig: "off".

Een voorsein heet in het Engels een distant signal. Dit kan in de stand 'voorzichtig' staan: "on" of veilig: "off".

Een inrijsein heet een home signal, een uitrijsein een starter signal.

Engelse armseinen werkten vaak in het lower quadrant: in de stand veilig hangt de vleugel schuin omlaag.




Spiegelei

Met een spiegelei gaf de stationschef vroeger het sein dat een trein mocht vertrekken. Tegenwoordig geeft de conducteur het vertreksein. Hij doet dit wanneer het vertrekseinlicht langs het perron brandt.

Spoorboekje 1983-84, omslag door Herman Berserik.

Spoorboekloos rijden

Brief in NRC Handelsblad, 25 oktober 2017, waarin ik een misverstand over "spoorboekloos rijden" uit de weg help.

Zie ook het tijd-wegdiagram, dat als basis dient voor de dienstregeling en het spoorboekje.



Spoorwijdte (spoorbreedte), spoorstaven

Spoorwijdte is de afstand tussen de twee spoorstaven, gemeten tussen de binnenkanten van de koppen van de rails. Is deze afstand 1435 mm, dan spreekt men van normaalspoor, anders van breedspoor of smalspoor. Breedspoor (in verschillende varianten) komt voor in Rusland, Finland, Spanje, Portugal, Ierland, Brazilië, Australië. Smalspoor wordt vaak gebruikt in bergachtige gebieden. Bekijk de voorbeelden.

Aanvankelijk was het Portugese spoor iets smaller dan in Spanje: 1665 in plaats van 1668 millimeter. Spaanse treinen konden daardoor niet in Portugal rijden, terwijl het omgekeerde wel mogelijk was. Later is deze beschermingsmaatregel ongedaan gemaakt, en gebruikt Portugal nu ook 1668 millimeter.

Verwar het begrip spoorwijdte niet met spoorbreedte: dat is de afstand van hart op hart. Bij normaalspoor is de spoor­breedte 1500 mm.

(Treinen rijden volgens sommige deskundigen niet op rails maar op spoorstaven; aan rails hang je gordijnen op. Maar wij blijven deze site gewoon "Langs de rails" noemen...)




Spoorwoningen

Vroeger stond er om de paar kilometer wel een woning lags het spoor, bedoeld voor personeel dat seinen en overwegen moest bedienen of om een andere reden dicht bij het werk moesten wonen. De meeste zijn verdwenen, maar hier en daar zie je ze nog wel. Ze staan meestal heel dicht bij het spoor en hebben een groot nummer op de gevel. Meer hierover in het thema spoorwoningen




Spopo, Vopo, Gestapo

Spopo is de verkorting van Spoorwegpolitie. Doet (toevallig of niet) denken aan de Vopo, de beruchte Volkspolizei van de DDR, die onder andere de taak had om mensen die naar West-Duitsland wilden vluchten dood te schieten. En tijdens de Tweede Wereldoorlog was er de beruchte Gestapo (Geheime Staatspolizei). Toch interessant om te weten, als iemand het over 'Spopo' heeft.




Staatsieportret, Fotografieranstrich (Photoanstrich)

Staatsieportret betekent letterlijk portret van het staatshoofd. Ook gebruikt voor foto's waarop bijvoorbeeld een voertuig mooi naar voren komt. Wordt heel vaak fout gespeld als statieportret, naar analogie met statiegeld. Statie kan ook station betekenen; het Centraal Station van Antwerpen wordt de Middenstatie genoemd.

Nieuwe stoomlocomotieven kregen vroeger vaak, voordat er een staatsieportret werd gemaakt, een "Photoanstrich" of "Fotografieranstrich". Daarvoor werd grijze verf gebruikt om alle details goed uit te laten komen op zwart-witfoto's. Deze verf was op kalkbasis, zodat die er in de normale dienst snel afspoelde. Bekijk een voorbeeld.




Tender, tenderlocomotief

Stoomlocomotieven voeren hun brandstof- en watervoorraad vaak mee in een aparte wagen achter de locomotief: de tender. Er zijn ook locomotieven zonder losse tender, waarbij de voorraden dus op de locomotief zelf worden meegevoerd: dit noemt men tenderlocomotieven. (Het Engelse "tender locomotive" betekent locomotief met losse tender. Wat wij een tenderlocomotief noemen, heet in het Engels een "tank engine".) Zie verder tender, tenderlocomotief.




Tijd-wegdiagram

In een tijd-wegdiagram wordt de dienstregeling op een bepaald baanvak grafisch weergegeven. Op de horizontale as staat een tijdverdeling, op de verticale as staan de stations en andere dienstregelingpunten, zoals passeersporen en aansluitingen. In het diagram is de loop van de treinen aangegeven met schuine lijnen: hoe sneller de trein, hoe steiler de lijn. Wanneer een trein onderweg ergens stilstaat, loopt de lijn horizontaal.

(Een tijd-wegdiagram kan ook worden getekend met de tijd op de verticale as en de stations op de horizontale as. Voor het principe maakt dat geen verschil. Een stilstaande trein wordt dan weergegeven door een verticale lijn.)

Kruisende en passerende treinen

Waar twee lijnen elkaar kruisen, komen twee treinen elkaar tegen. Op een enkelsporige spoorlijn is het prettig wanneer dat gebeurt op een station of een andere plaats waar passeerwissels liggen. In de tekening rijdt trein 1 van A naar B, terwijl trein 2 van B naar A rijdt. In X komen ze elkaar tegen. Trein 1 blijft hier even stilstaan, terwijl trein 2 doorrijdt.

Ook kan het gebeuren dat twee treinen met verschillende snelheden achter elkaar rijden. Bijvoorbeeld een langzame goederentrein die geleidelijk wordt ingelopen door een snel­trein. In de tekening vertrekken kort na elkaar de treinen 3 en 4 uit A. In X wordt trein 3 stilgezet, zodat de snellere trein 4 kan passeren.

Bij de lijnen staan meestal ook gegevens zoals het treinnummer en de dagen waarop de trein rijdt. Bij complexere diagrammen wordt gewerkt met verschillende kleuren. Ook staat bij het diagram vaak informatie over het baanvak zelf, zoals afstanden tussen de stations en maximum snelheden.

Basis voor het spoorboekje

Het tijd-wegdiagram is een handige manier om een dienstregeling te ontwerpen. Het dient ook als basis voor het spoorboekje. Hierin staan alleen de tijden van personentreinen. Op het diagram staan alle treinen, dus ook de goederentreinen en speciale treinen. Zie ook het basisuurpatroon.

Op drukke trajecten doet de NS aan spoorboekloos rijden. Dat betekent niet dat machinisten zelf hun gang kunnen gaan: ze rijden nog steeds volgens een vastgelegde dienstregeling. Met spoorboekloos wordt bedoeld dat er zoveel treinen rijden, dat je je als reiziger nooit hoeft te haasten om een bepaalde trein te halen.

Gebruik door treindienstleiders

Treindienstleiders maken gebruik van het tijd-wegdiagram om de dagelijkse loop van de treinen in de gaten te houden en zonodig bij te sturen. Ook het inleggen van een extra trein gebeurt via het diagram, door te kijken waar tussen de bestaande lijnen nog een extra lijn past. Vaak worden er ook "paden" vrijgehouden voor treinen die alleen naar behoefte rijden: facultatieve treinen.

Vroeger werd het tijd-wegdiagram getekend op papier. Treindienstleiders kregen het diagram voor de hele dag op een groot vel of grote rol papier, waar ze zonodig met de pen aantekeningen op konden maken. Inmiddels is het papier vervangen door beeldschermen.

Misverstand in de krant

Het begrip "spoorboekloos rijden" leidt weleens tot misverstanden. In oktober 2017 heb ik daarover een brief gestuurd naar NRC Handelsblad.




Treinschakeling

Treinstellen worden vaak aan elkaar gekoppeld om langere treinen samen te stellen. De machinist bedient het voorste treinstel en de gekoppelde treinstellen doen automatisch mee: die krijgen hun opdrachten via de elektrische contacten in de automatische koppeling. Dit kan alleen als het om treinstellen van hetzelfde type gaat. Er komen ook weleens ongebruikelijke combinaties voor, bijvoorbeeld een defect dieseltreinstel dat door een elektrisch treinstel wordt gesleept. Zie hiervoor het thema gemengde koppelingen.

Ook bij locomotieven wordt vaak in treinschakeling gereden: twee of meer locomotieven die door één machinist worden bediend.




Trafo, travo

Trafo is de afkorting van transformator, een apparaat om elektrische spanning te verlagen of te verhogen. Wordt vaak geschreven als travo, maar dat is de afkorting van travestiet. Er zit natuurlijk wel wat in: ook een travestiet probeert de spanning op te voeren.

Fotograferen: ook zo'n lastig woord waar de f nogal eens verandert in een v. In advertenties zie je vaak de aanbeveling "verkeerd in goede staat" staan, maar ik twijfel dan altijd: wat is er verkeerd aan?




Treinstel, treinstam en andere begrippen

Goederen worden vervoerd in een wagen; ook wel geschreven als wagon. Reizigers worden vervoerd in rijtuigen. Een rijtuig wordt in spoorwegjargon bak genoemd: een locomotief met vijf bakken aan de haak.

Een rijtuig met een eigen motor, dat dus zonder locomotief kan rijden, heet een motorrijtuig. Een motorrijtuig waarin geen passagiers kunnen zitten, wordt een motorwagen genoemd. Een trein die door een locomotief wordt getrokken, heet een getrokken trein. Een trein die zonder locomotief kan rijden, heet een treinstel.

Treinstel

Een treinstel bestaat uit twee of meer rijtuigen die in een vaste samenstelling rijden. Een of meer rijtuigen zijn van motoren voorzien. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt de samenstelling van een treinstel gewijzigd, bijvoorbeeld om van twee bij een botsing beschadigde treinstellen een nieuw treinstel te formeren.

Een rijtuig met een machinistencabine maar zonder eigen motor, wordt een stuurstandrijtuig genoemd. Van hieruit kan de machinist de locomotief of het motorrijtuig bedienen wanneer de trein wordt geduwd. Treinstellen hebben aan weerszijden een machinistencabine; dit noemt men de koprijtuigen.

Treinstam

Rijtuigen die om exploitatieve redenen één geheel vormen, worden een rijtuigstam genoemd. Tijdens spitsuren kunnen aan zo'n stam een of meer versterkingsrijtuigen worden gekoppeld. Een tussenvorm van rijtuigstam en treinstel is de treinstam. Dat is een treinstel waarvan de samenstelling vrij eenvoudig kan worden gewijzigd, zoals het dubbeldeks­materieel van NS.

Deze uitleg is opgedragen aan de huppelkutjes van de Koppeling.

Treinstelnummer, bakcode

Bij de NS bepaalt het nummer van het eersteklasrijtuig het treinstelnummer. Als het A-rijtuig van treinstel 520 overgaat naar treinstel 519, dan worden alle rijtuigen van treinstel 519 vernummerd in 520.

Omdat bij treinstellen het rijtuignummer kan veranderen, heeft elk rijtuig ook een bakcode die nooit verandert, zodat de geschiedenis van een rijtuig goed kan worden geadministreerd. Inmiddels blijkt de betekenis van de bakcode niet meer begrepen te worden, want tegen­woordig wordt bij rijtuigwisselingen of renovaties veelal ook de bakcode veranderd.

Foto hiernaast: informatiesticker op ABk 911, een van de twee bakken van treinstel 911. De bakcode is 357.071.

Zie ook nummering van Nederlandse treinstellen.




Trek-duwtrein, stuurstandrijtuig

Een trek-duwtrein is een trein die in de ene richting wordt getrokken door een locomotief, en in de andere richting wordt geduwd. De machinist zit dan in een stuurstandrijtuig: een rijtuig met een machinistencabine van waaruit de locomotief op afstand wordt bediend. Er bestaan ook varianten op het thema trek-duwtreinen.




Trekkertje

Men spreekt van een "Engelsman" wanneer in een getrokken rangeerdeel gedurende de beweging een koppeling losgemaakt wordt, waarna de snelheid van het voorste stuk van het rangeerdeel vergroot wordt. Tussen de twee delen wordt dan een wissel omgelegd, waardoor het achterste deel een ander spoor oprijdt dan het voorste. De Engelsman (zonder aanhalingstekens) noemt dit "double shunting".

Aldus Nieuw Spoor, maandblad voor het personeel der Nederlandsche Spoorwegen, november 1948. Dit berichtje verbaasde mij, omdat ik het begrip Engelsman alleen kende als aanduiding van een Engels wissel. Van een machinist hoorde ik dat de hier beschreven rangeerbeweging een "trekkertje" heet. Heel erg verboden, dus vreemd dat hier in een officieel NS-blad over is geschreven. Hoe gaat een trekkertje in zijn werk? Een machinist die zich hier menigmaal aan heeft bezondigd legt uit:

Reglementair was zo'n 'trekkertje' een ten strengste verboden handeling. Niettemin maakte men er vooral in handwisselgebied met beperkte mogelijkheden geregeld gebruik van. Je spaarde er namelijk vele extra bewegingen mee uit. Gezegd moet worden dat je als machinist alleen instemde met een trekkertje als je ervan overtuigd was dat de rangeerders in kwestie dat ook tot een goed einde wisten te brengen.

Nadat duidelijk was waar de wagen achter de loc een andere kant op moest, nam een rangeerder zodanig plaats op de loc of de wagen, dat hij al rijdend goed bij de van te voren langgedraaide koppeling kon komen. De andere rangeerder nam plaats bij het wissel. Na het teken 'rijden' was het de bedoeling dat de machinist eerst optrok en vervolgens even de locrem aanhaalde. De wagen liep zo netjes tegen de locomotief aan zodat de rangeerder, die soms op zijn buik op een platte wagen lag, van de gelegenheid gebruik kon maken om de schalm uit de haak te tillen. De machinist trok na het horen vallen van de koppeling zo snel mogelijk op tot boven het wissel en, vooral ook, voorbij de vrijbalk. De tweede rangeerder bediende precies op het juiste moment het wissel tussen de loc en de rollende wagen en klaar was Kees.

Denk nu niet dat zo'n trekkertje bol stond van de wilde actie, want het was vooral een kwestie van goed inschatten en beheerstheid. Je wist namelijk van te voren dat je echt ontzettend op je kop kreeg als er onverhoopt iets van zo'n trekkertje kwam. Alles wat voorschriftelijk bepaald was, had je immers volkomen genegeerd en er bestond daarom geen enkel excuus voor de mogelijk aan te richten ravage. Ik hoef je waarschijnlijk niet uit te leggen dat een trekkertje vaak maar net goed ging.




Triebwagen

Triebwagen is Duits voor motorrijtuig. In combinatie met een Steuerwagen (stuurstandrijtuig), Mittelwagen en Beiwagen kunnen treinstellen worden gevormd. Afkortingen:

  • ET = Elektro-Triebwagen
  • EB = Elektro-Beiwagen
  • ES = Elektro-Steuerwagen
  • EM = Elektro-Mittelwagen
  • ETA = Akku-Triebwagen
  • DT = Dampf-Triebwagen. Bijvoorbeeld Dampftriebwagen Bauart «Bunnik».
  • VT = Verbrennungs-Triebwagen
  • VB = Verbrennungs-Beiwagen
  • VS = Verbrennungs-Steuerwagen
  • VM = Verbrennungs-Mittelwagen
  • SVT = Schnelltriebwagen



Turquoise of turkooizen

In de jaren 50 heeft een deel van het NS-materieel rondgereden in een blauwgroene kleur. Dat betrof enige locs van de series 1100 en 1200, en een aantal door deze locs getrokken rijtuigen. De naam van deze kleur kun je op twee manieren schrijven en uitspreken - op z'n Frans: turquoise [turkwaze] of op z'n Nederlands: turkooizen [turkoojsen]. Omdat wij van Langs de rails [turkwaze] zeggen, schrijven we turquoise.

Meer over deze huisstijl.




Tyfoon, fluitbord

Wat op een auto een claxon heet, heet op een trein een tyfoon (oude spelling typhoon). De machinist kan hiermee bij dreigend gevaar een geluidsignaal geven.

Nederlandse treinen hebben altijd twee tyfoons: een met een hoog en een met een laag geluid. Met een voetpedaal kan de machinist een van deze tyfoons gebruiken, of beide tyfoons afwisselend. Hoe dieper hij het pedaal intrapt, hoe harder de tyfoon klinkt. Moderne loco­motieven hebben behalve de tyfoon vaak ook een autotoetertje.

Op plaatsen waar een trein altijd moet toeteren, bijvoorbeeld een onbewaakte overweg, staat een fluitbord: een ruitvormig wit bord met een zwarte F. Dit bord stamt nog uit de stoomtijd, toen treinen geen tyfoon maar een stoomfluit hadden. Meer over fluitborden.

Pfeifen und läuten
In Duitsland zie je bordjes met de P van pfeifen (fluiten). Soms twee bordjes boven elkaar: twee keer pfeifen. Ook waren er bordjes met de L van läuten (bellen). De fluit heeft in Duitsland overigens plaatsgemaakt voor de Makrofon (= tyfoon).

Overmatig tyfoneren kan leiden tot geluidoverlast.




UIC, RIC, RIV

UIC = Union Internationale des Chemins de fer. Organisatie waar honderden spoorwegmaatschappijen bij zijn aangesloten. In UIC-verband worden allerlei afspraken gemaakt, onder andere op het gebied van te hanteren standaards. Een voorbeeld is de UIC-codering die op wagens en rijtuigen te zien is. Bij rijtuigen is dat vaak een RIC-code, op goederenwagens een RIV-code.

Internationaal afgesproken codes op CNL-rijtuig 61 85 06-90 304-5. De eerste twee cijfers geven het soort rijtuig aan. Voorbeelden: 50 = binnenlands rijtuig, 51 = internationaal rijtuig (RIC), 60 = dienstrijtuig, 61 = bijzonder rijtuig, 65 = autotransportwagen, 71 = slaaprijtuig. De volgende twee cijfers vormen de landcode, in dit geval 85 = Zwitserland. De volgende zeven cijfers (onderstreept) vormen het feitelijke rijtuignummer. Tot slot volgt een controlecijfer. Dit CNL-rijtuig valt niet onder het RIC-regime: in plaats van de letters RIC staat er een kruis; vergelijk de foto hieronder.

Op particuliere wagens en rijtuigen staat een P in een vierkantje. Deze aanduiding is geleidelijk aan het verdwijnen. In plaats daarvan verschijnt de naam van de maatschappij voor het nummer, bijvoorbeeld NL-EETC. Hieraan is te zien dat het om een particuliere maatschappij (in dit geval EETC) gaat. Zie ook de uitleg van de andere opschriften.

RIC = Regolamento Internationale Carrozze. Afspraken tussen Europese spoorwegmaatschappijen, betreffende het toelaten van rijtuigen op elkaars netten.

In het zogeheten RIC-raster staat aangegeven tot welke landen een rijtuig is toegelaten. Soms is dat een uitbundige hoeveelheid: hierboven zie je het RIC-raster van koninklijk rijtuig 61848930002-9 (nu in het Spoorwegmuseum). B = België, D = Duitsland, CH = Zwitserland, PL = Polen, DK = Denemarken, N = Noorwegen, J = Joegoslavië, R = Roemenië*, TC = Turkije, L = Luxemburg, F = Frankrijk, It = Italië, A = Oostenrijk, H = Hongarije, S = Zweden, GR = Griekenland, BG = Bulgarije. Op dit rijtuig ontbreken CS = Tsjechoslowakije en NS = Nederland (!). Op rijtuigen die zijn toegelaten op veerdiensten staat een anker, met een aanduiding van de betreffende veerdiensten. Ook wordt aangegeven voor welke stroomsoorten het rijtuig geschikt is (in verband met de elektrische verwarming) en de maximum snelheid van het rijtuig.

* Het Nederlandse koningshuis onderhield warme banden met de Ceauşescu´tjes. Of ze altijd met de trein naar Roemenië gingen weet ik niet.

RIV = Regolamento Internationale Veicoli. Afspraken tussen Europese spoorwegmaatschappijen, betreffende het toelaten van goederenwagens op elkaars netten.

RIV-EUROP. Bepaalde maatschappijen hebben verdergaande afspraken gemaakt. Dit zijn DB, DSB, FS, NMBS, NS, ÖBB, SBB, SNCF en CFL. Wagens waarop het opschrift RIV-EUROP staat, mogen door deze maatschappijen worden gebruikt alsof het hun eigen wagens zijn. Tussen de vroegere Oostbloklanden bestond een soortgelijke samenwerking: RIV-OPW.

Zie ook:




Up train, down train

Een down train is een trein die van een hoofdstation wegrijdt, bijvoorbeeld Londen. Een trein die naar dat station toerijdt is een up train. De spoorlijn zelf heet up line (opgaand spoor) of down line (afkomend spoor).




Vervoerbewijs, plaatsbewijs

Als een Nederlandse conducteur jou vraagt naar je plaatsbewijs, dan hoef je daar niet op te reageren. Plaatsbewijzen bestaan hier niet, alleen vervoerbewijzen. Een treinkaartje geeft jou namelijk geen recht op een plaats in de trein; je hebt alleen het recht om te worden vervoerd.

In buitenlandse treinen kun je nog wel een zitplaats reserveren. Voor bepaalde treinen is dat heel verstandig of zelfs verplicht. In Duitsland koop je dan behalve je Fahrkarte (vervoerbewijs) ook een Platzkarte (zitplaatsreservering). Een aardig voorval maakte ik mee tijdens een treinreis via de Vogelfluglinie.

Waarom weet niemand, maar ergens tussen 2000 en 2004 gingen treinkaartjes "tickets" heten. Zie ook OV feels good.




Wagen of wagon?

Het is vrachtwagen, personenwagen, paard en wagen. Maar als er spoorwielen onder zitten, gaan veel mensen opeens wagon schrijven. Passagiers worden trouwens in rijtuigen vervoerd, goederen gaan in goederenwagens. (Zelf schrijf ik dus wagen, maar in citaten op deze site zul je ook wagon tegenkomen.)




Wagen of rijtuig?

Je spreekt van een rijtuig als dat toegankelijk is voor reizigers of voor personeel dat niet bij het spoor werkt. Er bestaan dus zowel postwagens (waar alleen post in wordt vervoerd) als postrijtuigen (waarin post kan worden gesorteerd door post­beambten). Een bagagewagen is niet toegankelijk voor reizigers. Kunnen de reizigers er wel doorheen lopen, dan noem je het een bagagerijtuig.

Zie ook motorrijtuig, motorwagen.




WIDO, WILO, WUBO enzo

Een WIDO beveiligt dienstoverpaden. Een WILO beveiligt landelijke overwegen. Een WUBO beveiligt onoverzichtelijke plaatsen, terwijl een WIBR dat doet op bruggen en een WIT in tunnels.




Zakspoor

Amersfoort, 14 augustus 1977. Treinstel 466 vertrekt vanaf het zakspoor naar Amsterdam. Een zakspoor is een in het perron doorlopend kopspoor. Deze term is afgeleid van het Franse cul de sac: doodlopende weg. Gare en cul de sac betekent kopstation. In het Duits wordt een Kopfbahnhof ook wel Sackbahnhof genoemd

Zakspoor klinkt misschien wat plat, maar in het Antwerpense dialect gaat men nog een stapje verder: daar noemt men een doodlopend spoor een kutzak.

Zie ook het thema stootblokken en andere stopinrichtingen.



Zeppelin

Een zeppelin is een sigaarvormig luchtschip met een lichtgewicht skelet, met daarin ballons die zijn gevuld met een licht gas. Daarvoor werd meestal het uiterst brandbare waterstof gebruikt. Het ongevaarlijke helium was duur en moeilijk te krijgen. De naam verwijst naar de grote pionier van het luchtschip: graaf Ferdinand von Zeppelin.

Zeppelins waren een tijdje populair. In de jaren 20 en 30 werden ze gebruikt voor luxe vluchten tussen Europa en de VS. Aan het succes kwam een einde toen er een ramp plaatsvond met het Duitse luchtschip Hindenburg, dat op 6 mei 1937 tijdens de landing in de VS in brand vloog. Na de Tweede Wereldoorlog was er geen emplooi meer voor lucht­schepen: hun rol werd overgenomen door vliegtuigen.

Ingenieur Franz Kruckenberg hield zich eerst bezig met het ontwerpen van luchtschepen, maar richtte zich daarna op de spoorwegen. Zijn bekendste ontwerp is de Schienenzeppelin, een motorrijtuig dat werd aangedreven door een vliegtuigmotor en -propellor.

De aanduiding 'zeppelin' werd ook gebruikt voor stoomlocomotieven met een spitse rook­kast­deur, zoals de sneltreinlocs van de NCS (de latere NS-serie 3600).




Z-gestellt

De letter z, geschilderd op de zijkant van een Duitse loc, is een slecht teken: de loc is "z-gestellt", dat wil zeggen "zurückgestellt". Soms blijft de loc dan nog korte tijd in dienst, totdat er defecten optreden die men niet meer repareert. De volgende fase is de "Ausmusterung": terzijdestelling. Hierna volgt meestal de "Verschrottung": sloop.



Zie ook:




vorige       start       omhoog